zaterdag 27 september 2008

Lor In Solo

Eigenlijk zouden we nog een nacht in Semarang blijven en dan morgen naar Malang rijden, maar Albert vindt die rit te lang voor een dag. Hij boekt dan ook een hotel (het Lor In) in de buurt van Solo. Dat blijkt een gouden beslissing van hem!
We komen er redelijk vroeg in de middag aan. Het is een prachtig hotel, gelegen in een enorme tuin. Het bestaat voor een groot deel uit allen dak en palen, aan alle kanten kijk je zo naar buiten. En er is een zwembad.
Dus snel de koffers naar de (prachtige) kamers en op naar het zwembad.


En dat is mooi… We genieten die middag van de zon, een lekker hapje en drankje (ooh, die loempiaatjes, het verse fruit en de verrukkelijke sapjes) en het koele water.
’s Avonds dineren we op een soort overdekt terras.
Morgen gaan we naar het Tugu hotel in Malang, een hotel waar mijn moeder 8 jaar geleden ook was en waar ze enorm van heeft genoten. Ze maakt zich nu zorgen dat het de strijd met dit hotel gaat verliezen…


Meer foto's van het Lor In

maandag 22 september 2008

Bangkong: het jongenskamp

Vandaag - 16 juli - gaan we het jongenskamp Bangkong bezoeken, het kamp waar mijn vader ongeveer een jaar is geweest toen de Japanners hadden bedacht dat alle jongens apart van hun moeders in een kamp moesten verblijven.
Het kamp was eerst een vrouwenkamp, maar de vrouwen en jonge kinderen die er zaten werden verdeeld over de andere vrouwenkampen in Semarang.
De jongens moesten overdag werken met de patjol op de velden in de omgeving van Semarang. Daar werd voedsel verbouwd. Op deze velden werkten ook vrouwen uit het Lampersarikamp waar oma en tante Jeanne nog waren.

Als we met de bus midden in Semarang rijden (een drukke stad met 1,5 miljoen inwoners) heb ik niet door dat Albert en de chauffeurs al druk aan het zoeken zijn naar het kamp. Ze stoppen en vragen verschillende keren de weg. Dan stopt de bus op een drukke weg. Hier moet het kamp zijn.
Het dringt niet helemaal tot me door; als ik aan een concentratiekamp denk, dan heb ik daar een beeld bij van Auschwitz of Dachau. Een stel barakken in the middle of nowhere met een hoog hek van prikkeldraad erom heen en wachttorens. Geen drukke straat die helemaal is volgebouwd. Ik weet dat het kamp een kloosterschool was en nu ook weer gebruikt wordt als school, maar op een of andere manier is ook die school in mijn beleving gesitueerd in een buitengebied, dor en droog en al van verre zichtbaar.

Toch stappen we de bus uit en steken de straat over (dat blijft een bijzondere ervaring, als je je hand opsteekt, stopt iedereen en kan je naar de overkant lopen). Voor ik het weet staan we midden tussen de – in kleurig uniform gestoken - leerlingen in een school. Een heel gewoon, oud gebouw (de school staat er sinds 1911).





Maar toch is dit het kamp: het jongenskamp waar mijn vader zo’n afschuwelijke tijd heeft doorgebracht. We wandelen door de gangen, over de binnenplaats (appèlplaats) en langs de deels open ruimte waar nu een grote groep leerlingen een bijeenkomst heeft en in 1944-1945 de jongens hun toneelstukjes opvoerden omdat ze toch iets te doen moesten hebben als er niet werd gewerkt. Op deze trappen heeft mijn vader gelopen, op deze vloeren heeft hij geslapen. Hier heeft hij honger geleden en is ongetwijfeld bang geweest dat hij zijn familie nooit meer terug zou zien. Hier is zijn allesverterende haat tegen alles wat te maken had met het land van de rijzende zon gevoed en gesterkt. De haat die het hem een vreselijk trauma bezorgde, waarmee hij nooit meer in het reine is gekomen.
We gaan de trap op en lopen op de galerij. Het schooljaar is net begonnen; de leerlingen zijn ingedeeld in groepjes en moeten duidelijk allerlei opdrachten uitvoeren om hun school en hun klasgenoten beter te leren kennen. Ze lachen, zingen en giebelen als die rare grote mensen voorbij lopen. Een enkeling durft wel te zwaaien of ‘Hello’ te roepen.
Het is vreemd om hier te lopen. Ik weet dat het gebouw een paar heel zwarte bladzijden kent in het boek van zijn geschiedenis.
We vinden de plaquette die aandacht vraagt voor de geïnterneerden in het kamp. Naast de gang waar de plaquette hangt is een klein, mooi kerkje. Er hangt een Kruisweg met Nederlandse teksten op de schilderijen. Mijn vader is katholiek geworden in de oorlog, zou dat hier zijn geweest?




Ik zou hier even alleen willen zijn, gewoon even ergens gaan zitten en deze plek op me laten inwerken. Dat gaat niet als je met zijn achten bent. Bovendien wil ik een beetje op Merette letten die heel goed in de gaten heeft dat hier iets bijzonders aan de hand is. Vooralsnog neemt ze genoegen met het feit dat ‘opa Roel hier heeft gewoond’.
Na een uur stappen we weer in de bus.
Dan rijden we langs de wijk Lampersari. Er staan nog vrij veel koloniale huizen, maar verder is aan niets te zien dat deze wijk in de oorlog ook een groot en berucht Jappenkamp is geweest. We besluiten dan ook om de wijk te laten voor wat het is en gaan op zoek naar een lunchadres…

Ik ben er geweest, ik was ook in het kamp. René en de kinderen ook. Dit moet nog wel even zakken.

Meer foto's van Bangkong

zaterdag 20 september 2008

Gedung Songo en Semarang

De 'Gedung Songo' zijn vijf hindoeïstische tempels. Ze liggen op ongeveer 40 km ten zuiden van Semarang. De tempels dateren uit de periode 730-780 na Christus en liggen verspreid over de heuvels van de Gunung Ungaran. De hoogste tempel is gelegen op 1800 meter.

Toegeven: ze liggen er prachtig! Maar de moed zakt mij in de schoenen als ik hoor hoeveel we moeten klimmen. En inmiddels is het weer midden op de dag, dus goed heet.
Je kan ook met paarden naar boven, maar ik wil het zo’n arm beest niet aandoen om er op te klimmen…
Mijn moeder, René, Merette en ik bekijken het onderste tempeltje en genieten vervolgens van een drankje. Remco, Elsbeth, Renate en Roosmarijn gaan wel op de paarden naar boven.



De paardjes hebben en zin in en moeten tijden de rit zelfs af en toe worden afgeremd. Ze hebben het allemaal prima naar hun zin. Tempeltjes zijn leuk en er is ook nog wat vulkanische activiteit onderweg.



In Semarang verblijven we in een soort van Hiltonachtig hotel. Mooi, maar vrij onpersoonlijk. We eten er lekker en ze hebben er een verrukkelijk wijntje (volgens Remco veel te goedkoop voor de kwaliteit, maar dat mag de pret niet drukken).

Renate is haar slippers ergens onderweg kwijt geraakt. Achter het hotel ligt een moderne shopping mall, zo is ons verzekerd: daar moet ze toch een nieuw paar kunnen regelen. Welgemoed gaan de dames op stap en komen nogal giechelig terug. De shopping mall mag naar Indonesische begrippen modern zijn, het heeft het allemaal net niet. Zij gaan liever struinen langs de kraampjes en gezelligheid zoals we die in Yogya aantroffen. Ze moet het dus nog even doen met de batik slippertjes uit een van de hotels.